Welkom in het Buitenmuseum van Haarlemmermeer

Waar staat deze verhalenpaal?

  • Locatie: Hillegommerdijk t.o. 423
  • Coördinaten: 52.294.605.107 / 4.597.114.353
  • Fietsroute: fietsroute Land
  • Fietsknooppunten: tussen 56 en 61

Heeft u een verhaal bij deze paal? Stuur het naar naar schakelsaandeketting@shmdc.nl.


Binnenmuseum

Naast de 20 Verhalenpalen die verpreid staan door de hele polder, kunt u ook een bezoek brengen aan het Cruquius Museum in Cruquius en het Historisch Museum Haarlemmermeer in Hoofddorp. Kijk op www.haarlemmermeermuseum.nl en op www.komkijkenmetkortingbijCruquius.nl.


Begin van de Ringvaart

Nadat een zware westerstorm op 29 november 1836 het water opjoeg tot aan de poorten van Amsterdam besloot koning Willem I in 1837 dat het meer moest worden drooggemalen. Een speciale wet verschafte daartoe een geldlening. In juni 1839 werd de organisatie van de droogmaking opgezet door de ‘Commissie van beheer en toezicht over de droogmaking van het Haarlemmermeer’. De technische kant van het project lag bij de ingenieurs Cock en Beyerinck. Beyerinck was verantwoordelijk voor het ontwerp en de uitvoering van technische zaken rond de ringdijk en ringvaart en ook gebouwen en machines.

Met de eerste spadesteek bij hoeve Treslong in Hillegom gaf staatsraad F. van de Poll op 5 mei 1840 het startsein tot de droogmaking. Hij sprak: "Hoe grootsch, hoe vererend is niet onze taak. Het geldt hier geen bedrijf, hetwelk het menschdom op bloed en tranen komt te staan. Het geldt hier het veroveren van een verbolgen waterplas, die jaar op jaar meer en meer verwoesting dreigde."

Het formele besluit om met stoomkracht te werken kwam pas in 1843. Na het graven van de Ringvaart en het opwerpen van de Ringdijk ging ”het proefstoomtuig” de Leeghwater op 22 juli 1845 aan het werk. Na een aantal technische aanpassingen begon de Leeghwater op 7 juni 1848 met de droogmaking van het meer. De Lynden startte op 30 maart 1849, op 19 april gevolgd door de Cruquius. In juli 1852 was met 14 miljoen pompslagen ruim 8000 miljoen kubieke meter water naar buiten geslagen. Het Haarlemmermeer was ‘droog’.


Gedicht voor SPADE van Mirjam Noach, Polderdichter


Jannie vertelt…

De ouders van mijn moeder komen oorspronkelijk uit Zeeland. Dat zal ongeveer omstreeks 1852 zijn geweest. Ze waren al getrouwd. Dat waren Maria en Jan Muilwijk. Ik was altijd onder de indruk van de grote foto’s van opa en oma die bij ons thuis hingen. Ze waren gekleed in klederdracht. Ze gingen wonen aan de Aalsmeerderweg bij het dorp Rijk. Opa had zo hard gewerkt dat hij helemaal krom was gaan lopen. Het was zo’n lieverd. Oma had de broek aan, Ze hadden tien kinderen.

Ik weet nog dat ik er altijd mocht logeren. Het was heerlijk daar. Je kon vanuit hun huis op de Kruisweg kijken. Oma telde altijd voordat ze ging slapen de auto’s die langskwamen. In oorlogstijd ging mijn moeder met de kinderwagen lopend vanaf de Bennebroekerdijk naar ze toe.

Opa was polderjongen. Omdat er toen in Zeeland geen werk was zijn ze naar de Meer vertrokken. Hij heeft geholpen om de Hoofdvaart uit te graven. Ik weet ook nog dat oma alles op het oliestelletje kookte en er was genoeg te eten. Ze hadden een eigen groentetuintje. Hun huis was vlak bij de smederij. Voor het huis stond een bankje waar opa en oma vaak zaten.  In de tuin voor het huis stonden goudsbloemen. Die houden de mieren tegen. Verderop was de kerk. Op weg daar naar toe had iedereen wat te vertellen. Mijn jongste oom kon mij zo plagen. Als er met het eten aardappels op tafel kwamen zei hij: “Jij eet mijn aardappels op”.

Opa heeft later ook bij een boer gewerkt. Hij was daggelder. Hij was, doordat hij zo krom liep, in mijn ogen altijd oud.

Leendert vertelt ...

Voor het graven van de Hoofdvaart kwam ook , buiten de behoorlijke mensen, veel gajes uit Zeeland en Brabant. Ze leefden in keten die op drijvers stonden en elke keer een beetje verder gesleept werden. Er werd van maandag t/m zaterdag gewerkt. Op elke hoek stond een kroeg waar op zondag goed gebruik van werd gemaakt.

Altijd droegen ze dezelfde kleren, omdat er geen sanitair was. Ook mijn ouders komen uit de Hoekse Waard. Ze zijn naar de Meer gekomen om daar te werken. Hier was werk genoeg. Mijn vader werd Kees de mollenvanger genoemd.

Gijs vertelt ...

Grootvader is met zijn vader omstreeks 1856 naar de Meer gekomen. Hij had een kavel gekocht aan de Aalsmeerderweg. Hij kwam uit Noord- Holland.   Overgrootvader is op veertig jarige leeftijd overleden. Opa heeft zijn vader overleefd. Hij had een loondorsbedrijf. Daar moest je speciale vergunningen voor hebben. Ik ben een van de jongsten van de familie. In 1927 is grootmoeder van vaderskant overleden. Ik heb uit piëteit het graf overgenomen.

Als je naar de achternaam de Smeth kijkt dan zijn er nog maar vierenzestig over in Nederland. Veel van de familie is niet getrouwd geweest of hadden geen kinderen. Toen mijn overgrootvader eens een sloot aan het graven was vond hij een porseleinen kommetje. Er waren immers vele schepen vergaan in de Meer.