Grootste vondst Romeinse munten

 

Het Romeinse leger werd omstreeks 40 na Chr. actief in de Rijnmonding. Eind eerste eeuw beschreef geschiedschrijver Tacitus o.m. de Friezen als bewoners in onze de kuststreken. Haarlemmermeer was waarschijnlijk een vrijwel onbewoonbaar veenmoeras. De eerste Haarlemmermeerse geschiedschrijver, onderwijzer Pieter Boekel, beschrijft het gebied als een groot bosmoeras met modderige kreken en waterkommen, in het midden weinig of niet begroeid.

Het gebied ten noorden van de Rijn wilden de Romeinen aanvankelijk ook veroveren. Tussen 15 en 28 na Chr. lag in Velsen, aan het Oer-IJ, een Romeins fort, Castellum Flevum. In de omgeving (Kennemerland, Bollenstreek) zijn sporen van boerderijen en Fries aardewerk gevonden. In 40 na Chr. stichten de Romeinen een tweede fort bij Velsen. In 47 na Chr. trekken ze zich definitief terug achter de Oude Rijn.

Dat ook in deze contreien contacten waren tussen Friezen en Romeinen blijkt uit de grootste Nederlandse vondst van Romeinse munten in Nederland. In oktober 1920 vond boer D.J.G. Krijger bij Abbenes 12.389 munten kleingeld uit de vierde eeuw van onze jaartelling. Een eerste onderzoek (1958) veronderstelt dat een Romeins schip met geld op weg naar Engeland (waar gebrek heerste aan gemunt geld) is vergaan bij de monding van het riviertje de Aa bij Huigsloot (in het huidige Haarlemmermeer). Het Rijksmuseum van Oudheden acht deze Engelandtheorie onwaarschijnlijk. Mogelijk betreft ‘de schat’ klein bronsgeld als basismateriaal voor een smid om mantelspelden e.d. te vervaardigen.

Behalve Romeinen hebben in het voormalige veengebied aan de randen van het Haarlemmermeers grondgebied dus misschien ook Friezen geleefd.

 


Waar staat deze verhalenpaal?

  • Locatie: Hoek Kaagweg – Huigsloterdijk. Dichtstbijzijnde adres: Kaagweg 220  Abbenes
  • Coördinaten: 52.215.139.625 / 4.602.898.273
  • Fietsroute: fietsroute Land
  • Fietsknooppunten: tussen 08 en 09

Kleindochter Kruger vertelt...

In oktober 1920 trok akkerbouwer Dirk Johannes Gijsbert Kruger (1867) met zijn ploeg met paarden ervoor voren op zijn perceel Huijgsloterdijk 251 bij de Kaagweg. Hij ploegde wat dieper dan hij gewend was. Het krassende geluid van de rister maakte hem er op attent dat hij iets hards raakte, maar de ploeg gleed wel door. Wat zal hij verbaasd gekeken hebben toen hij een blik wierp op zijn ploeg. Hij verwachtte een stuk steen te zien. Maar liefst twaalfduizend vijfhonderd laat- Romeinse munten uit de 3e en de 4e  eeuw waren na eeuwen weer naar boven gekomen. Hij zal ongetwijfeld even op zijn ploeg zijn gaan zitten en in volle verbazing gedacht hebben…wat nu gedaan. Zijn negenjarige zoontje Bram (1911) was bij hem die het later aan zijn dochter vertelde.

Haar opa was naar huis gelopen en had daar een melkjuk met twee emmers opgehaald. Al rapende woelde hij daar de grond los. De bovengenoemde schat munten kwam tevoorschijn. Hij moest wel twee keer naar zijn boerderij lopen met volle emmers met munten uit de grond. Samen met zijn vrouw Cornelia Drechsler (1884) heeft hij de munten een beetje schoongemaakt. Vervolgens hebben ze de munten op de zolder van de boerderij verborgen. De kinderen moesten daar hun mond over houden. Zeer waarschijnlijk omdat hij niet wist wat hij met deze vondst aan moest.

Twee jaar later bood hij een aantal munten aan aan het Museum van Oudheden in Leiden. Toen men daar hoorde dat het slechts een klein deel was van het gevondende zagen ze af van de koop. De financiële middelen hiervoor hadden ze niet. In 1950 kocht het museum toch de gehele vondst. Pas in 1958 vond er een grondig onderzoek plaats door professor A.N.Zadoks, Josephus Jitta en J.H.Evers van het Koninklijk Penningkabinet. Er werd gekeken naar de herkomst van deze munten waarbij ook de vindplaats werd betrokken. Ploeger Kruger was helaas al in 1933 overleden. Onderzoek op de vindplaats deed vermoeden dat de munten deel uitmaakten van een scheepslading die hier vergaan was. Op de plek van de vroegere rivierbedding was mogelijk een vertakking van de rivier de Ade die in open verbinding met de Noordzee stond. De lading moest waarschijnlijk bestemd zijn geweest voor Engeland. Daar heerste in die tijd een grote crisis in munten in de periode 353 – 368. Ook daarna nog in de jaren  375 – 388. Van de geografische toestand in die periode is niet veel bekend.

Transport van munten als koopwaar op bestelling was nodig om een dergelijke crisis te bezweren. Dit kwam vaak in de 4e eeuw voor. Voordat de munten zelf nog maar voorlopig konden worden gecatalogiseerd moesten ze worden schoonge-maakt. Daarbij kwamen resten van grafweefsel aan het licht. Tussen de leemresten vond men ook een knoop en een koperen nagel. Vermoedelijk zaten de munten in een soort zak die weer in een houten kist verpakt was.

De samenstelling van de vondst was: 12.389 munten waarvan 248 munten uit de 1e, 2e en 3e eeuw, 1.110 munten uit het de jaren 300 tot 364 en ruim 10.000 stuks uit de jaren na 364. Op bijna alle munten was de naam van de toen regerende Romeinse keizer vermeld. Zo waren er 2.384 munten bij van keizer Valens die regeerde van het jaar 364 tot 378.

In 1987 heeft de Gemeente Haarlemmermeer 445 van deze munten in eigendom kunnen krijgen. De zoon van de dominee was de kleinzoon van opa. Hij was secretaris van de Burgemeester. Zo kwamen ze in het gemeentearchief terecht.