Hermina Maria Amersfoordt-Dijk (1821–1892) was pianiste en componiste en trouwde op 26 februari 1852 in Amsterdam met Jacob Paulus Amersfoordt (1817-1885), jurist en literator en stichter van De Badhoeve. Hermina was een bijzondere vrouw die grote muzikale talenten combineerde met het werk op De Badhoeve en zorg voor zieken in tijden van cholera. 

Bronvermelding: Helen Metzelaar, Dijk, Hermina Maria, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. URL: http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Dijk [13/01/2014]  en Marja Visscher, schrijfster van De Badhoeve triologie. 
 

Muziek

Hermina Dijk was het derde van tien kinderen, waarvan er vier op jonge leeftijd stierven. In de volkstelling van 1851 werd het gezin Dijk ingeschreven als Nederlands Hervormd. Hermina's vader, Barend Dijk Jr., handelde in medicinale kruiden en was daarnaast jarenlang directeur van de muziekafdeling van de Maatschappij Felix Meritis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Vanaf haar achtste tot haar achttiende jaar trad Hermina jaarlijks op als pianiste in Felix Meritis, toen het brandpunt van het Amsterdamse culturele leven. Haar eerste optreden had zij als achtjarige op 19 maart 1830. Twee jaar later speelde zij op een concert ter ere van leden van de koninklijke familie. De werken in Hermina’s repertoire zijn typerend voor haar tijd; zeer in trek waren toen virtuoze variaties op bekende operamelodieën van componisten als Johann Nepomuk Hummel, Charles-Auguste de Bériot en Ignaz Moscheles. Minstens twee keer speelde zij op jonge leeftijd eigen werk: variaties op het lied 'Ma Normandie' en variaties op een thema uit Bellini's Norma. Beide werken zijn helaas verloren gegaan. Ook trad zij samen op met de violist Charles Philippe Lafont en met Johannes van Bree, violist en dirigent van het Felix Meritis Orkest.

Volgens Henri Viotta (Lexicon der Toonkunst, 1883) moest Hermina later de zorg voor haar zieke moeder op zich nemen. Dit verklaart misschien waarom zij na haar achttiende weinig meer optrad. Eind maart 1849 verscheen zij nog één keer in Felix Meritis in een pianotrio van Beethoven. Daarna richtte zij zich meer op het componeren. Hiervoor nam zij les bij Johan Georg Bertelman. Zoals veel Nederlandse componisten in deze tijd, zette ook Hermina teksten van Jan Pieter Heije op muziek, in haar geval Heijes vertaling van Psalm 22. Omstreeks 1850 schreef zij een duet voor viool en piano dat zij opdroeg aan haar broer Nicolaas Hendrik.

Amersfoordt en Badhoeve

In 1852 trouwde de 31-jarige Hermina Dijk in de Waalse Kerk van Amsterdam met Jacob Amersfoordt, een welgestelde intellectueel die in Leiden gepromoveerd was in de rechten en de letteren. Ter gelegenheid van hun huwelijk schreef zij de Cantate Floris V op een tekst van J.A. Alberdingk Thijm. Naast een pianosonate schreef zij ook twee concertouvertures, die in respectievelijk 1854 en 1855 een eerste uitvoering in Felix Meritis kregen. In 1857 liet Amersfoordt-Dijk zes liederen voor twee sopranen, alt en piano meedingen bij de jaarlijkse compositieprijsvraag van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Alle correspondentie over haar inzending werd gevoerd door haar echtgenoot. Tussen 1829 en 1879 was zij de enige vrouwelijke componist die meedong in de prijsvragen van deze Maatschappij, die zij overigens niet won.

De passie van Hermina’s echtgenoot ging uit naar de moderne landbouw. Na de drooglegging van de Haarlemmermeerpolder in 1855 kocht hij daar een groot stuk grond en liet er de boerderij De Badhoeve bouwen, met daarbij negen huizen voor vijftig man personeel en hun families en een groot aantal schuren voor het vee, de zuivelbereiding en de opslag van graan en fruit. In 1857 verhuisde het echtpaar naar de Haarlemmermeerpolder, toen nog kaal, winderig en desolaat, met onverharde modderige wegen. In een voordracht over deze nieuwe polder stelde Amersfoordt dat een dergelijke onderneming alleen mogelijk was als de echtgenote van de eigenaar zich niet te goed achtte om mee te werken.

Hermina Dijk stelde haar man niet teleur: zij zorgde voor de boerenarbeiders en hun families, maakte boter en kaas, en leidde een naaiclub bij haar thuis. Toen in 1866 een cholera-epidemie honderden mensen trof, hield zij toezicht op een tijdelijk ziekenhuis op De Badhoeve. De grote landbouwonderneming van haar man, waar de nieuwste landbouwtechnieken werden toegepast, trok al gauw vele bezoekers uit binnen- en buitenland. Voor deze gasten werd gebruik gemaakt van Hermina’s muzikale- en improvisatietalenten aan de piano. Zo speelde zij voor keizer Maximiliaan van Mexico, de Braziliaanse keizer Pedro de Alcântara, prins Jerôme Napoleon uit Frankrijk en de Nederlandse koningin Sophie, die de boerderij zelfs twee keer bezocht. Ook werd Hermina muzikaal betrokken in plaatselijke evenementen. Zo klonk in het voorjaar van 1868 haar cantate Anbetung voor solisten, koor en orkest, uitgevoerd om geld in te zamelen ten behoeve van de bouw van een nieuwe kerk in de polder.

In 1857-1858 werkte het echtpaar Amersfoordt samen aan het theaterstuk Willem Bardes, de held van de Amsterdamse alteratie (1578): Jacob schreef de tekst en Hermina de muziek. Het toneelstuk werd gepubliceerd zonder de bijbehorende muziek, die vermoedelijk verloren is gegaan. Rond deze tijd componeerde zij ook een vioolconcert. Naarmate boerderij De Badhoeve bekender werd, vergde haar rol als gastvrouw steeds meer tijd. Toch schreef zij een avondvullend oratorium met als titel Gottes Allgegenwart, opus 40. Behalve de Amsterdamse première in 1872, genoot dit oratorium nog twee uitvoeringen: in 1876 in Den Bosch onder leiding van Herman van Bree en in 1877 in het Utrechts Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, gedirigeerd door J.N.W.C.A. Ruygrok. Bij de eerste uitvoering verscheen een lange recensie die tot slot memoreerde dat de eer van de vaderlandse toonkunst ‘door eene vrouw gehandhaafd’ werd. De 25 nummers ‘ademen eene frischheid en zangerigheid, die van scheppingskracht, van eigendommelijkheid, van meesterschap in hoogen graad over vorm en geest schoone getuigenis afleggen’ (Algemeen Handelsblad, 1872). Een van Hermina’s laatste werken is Loflied, een kort, vierstemmig liedje ter viering van de drooglegging van de Haarlemmermeerpolder. Dit liedje werd in 1877 door kinderen gezongen tijdens het bezoek van de Braziliaanse keizer aan de boerderij.

In 1885 stierf Jacob Amersfoordt. De plaatselijke krant memoreerde dat Amersfoordt-Dijk haar echtgenoot steeds ter zijde had gestaan en dat zij in de maanden voor zijn dood de omvangrijke boerderij nagenoeg zelfstandig had beheerd (De Meerbode, 7-2-1885). Niet lang hierna werd de boerderij verkocht en verhuisde zij terug naar Amsterdam, waar zij in 1892 stierf. Al voor haar dood was Amersfoordt-Dijk in de vergetelheid geraakt; het Nieuws van den Dag meldde: ‘alleen ouderen zullen haar nog herinneren’ (16-7-1892). Tegenwoordig worden haar composities zelden gespeeld.

Hoewel veel composities van Amersfoordt-Dijk worden vermist, kan haar ontwikkeling aan de hand van de overgeleverde werken enigszins worden gevolgd. Opus 7 voor viool en piano is een robuust werk in vroeg negentiende-eeuwse stijl, vol akkoordbrekingen en opgewekt van sfeer. Het oudst bewaarde lied, Le souvenir uit 1852, is een romance in Franse stijl voor mezzosopraan en piano. Het is gezet op een Frans gedicht van haar echtgenoot. Later zou Amersfoordt-Dijk zich meer oriënteren op de Duitse romantische traditie met liederen zoals Fischermädchen en Liebesgruss. De ouverture op. 19 is te vergelijken met ouvertures van Nederlandse tijdgenoten en toont veel invloed van Beethoven. Het avondvullend oratorium Gottes Allgegenwart op. 40 voor vier solisten, gemengd koor en orkest, is geschreven in de Händel-Mendelssohn traditie en toont dat zij goed in staat was een omvangrijk werk te schrijven. Dit oratorium wordt gekenmerkt door dramatiek, vooral in het tweede deel, waar onder andere het bestaan van God wordt betwist. Zoals in Händels Messiah, sluit dit oratorium met een triomfantelijk fugatisch koornummer ter ere van God: ‘Heil, Halleluja, Amen’.

Le Souvenir, compositie van Hermina van Dijk, gezongen door Klaartje van Veldhoven